ECLI:NL:RVS:2021:2789
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 18 februari 2020 de aanvraag van drie vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen dit besluit, dat op 30 april 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen ongegrond bij uitspraak van 1 juli 2021.
De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming dienen, en bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank zonder nadere motivering.
De Afdeling verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat nareis niet mogelijk is indien de referent bij indiening van een opvolgende nareisaanvraag genaturaliseerd is tot Nederlander. Dit was in deze zaak van toepassing. De staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.