ECLI:NL:RVS:2021:2788
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering machtiging tot voorlopig verblijf
Bij besluit van 7 juni 2018 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 27 januari 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 15 oktober 2021 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitspraak van de rechtbank niet strekte tot het verplicht verlenen van de machtiging en dat uitvoering geen onherstelbare gevolgen zou hebben. Ook zou uitvoering geen onevenredige inspanning vergen. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.