ECLI:NL:RVS:2021:2780
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering belangenafweging artikel 8 EVRM
De vreemdeling, met Marokkaanse nationaliteit en sinds 2009 in Nederland verblijvend, kreeg in 2016 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf bij partner. Na beëindiging van zijn relatie in 2018 trok de staatssecretaris deze vergunning in. De vreemdeling maakte bezwaar en voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom hem geen verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM Pro toekomt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt deze uitspraak. De staatssecretaris had onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen, die de Nederlandse nationaliteit hebben en nooit in Marokko hebben gewoond, en met het feit dat het gezinsleven feitelijk wordt ingevuld. Ook ontbrak een duidelijke motivering over de toepassing van het beleid dat kinderen centraal stelt.
De Afdeling oordeelt dat de belangenafweging niet voldoet aan de vereiste fair balance tussen het belang van de vreemdeling en het algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid. Het besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, en de staatssecretaris wordt opgedragen opnieuw te beslissen, waarbij de vreemdeling eerst gehoord moet worden. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de staatssecretaris moet opnieuw beslissen met inachtneming van een juiste belangenafweging.