ECLI:NL:RVS:2021:2778

Raad van State

Datum uitspraak
10 december 2021
Publicatiedatum
10 december 2021
Zaaknummer
202107461/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 14 december 2020 besloten een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling, mede namens haar minderjarige kinderen, heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 november 2021 het beroep ongegrond verklaard. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het verzoek om een voorlopige voorziening gegrond is en heeft bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 748,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak biedt de vreemdeling tijdelijke bescherming tegen uitzetting en waarborgt haar recht op een zorgvuldige behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202107461/2/V2.
Datum uitspraak: 10 december 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 26 november 2021 in zaak nr. NL20.21507 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij tussenuitspraak van 29 april 2021 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om aan het Bureau Medische Advisering medisch advies te vragen over de gevolgen van een overdracht van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen aan Duitsland.
Bij uitspraak van 26 november 2021 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2021
853