ECLI:NL:RVS:2021:2715
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdelingen in hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 10 juni 2021 de aanvragen van twee vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. De vreemdelingen hebben hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, welke op 4 november 2021 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Dit houdt in dat de vreemdelingen niet worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdelingen hebben gemaakt voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening.
De uitspraak is gedaan op 2 december 2021 in het openbaar. De voorzieningenrechter was verhinderd de uitspraak te ondertekenen, wat door de griffier is gedaan. De zaak betreft een bestuursrechtelijke procedure binnen het vreemdelingenrecht, waarbij de belangen van de vreemdelingen worden beschermd tijdens de beroepsprocedure.
Uitkomst: De vreemdelingen mogen niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.