Uitspraak
Datum uitspraak: 1 december 2021
Raad van State
Op 20 september 2017 voerden toezichthouders een controle uit op een duwboot die in het Hartelkanaal voer en constateerden een bemanningstekort. De minister legde een boete van €3.500 op wegens overtreding van artikel 22 van Pro de Binnenvaartwet. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de bemanningsvereisten uit bijlage 5.1 van de Binnenvaartregeling zo gelezen moeten worden dat alleen bij aanwezigheid van een stuurman met schipperbekwaamheid kan worden volstaan met de rechterkolom bemanning. Omdat deze stuurman die bekwaamheid niet bezat, moest de bemanning voldoen aan de linkerkolom, waarin een machinist of matroos-motordrijver verplicht was. Appellante kon niet aannemelijk maken dat het onmogelijk was het vereiste aantal bemanningsleden aan boord te hebben.
De gewijzigde regelgeving per 1 december 2017 verving de functie machinist of matroos-motordrijver door machinist of volmatroos, maar dit leidde niet tot het vervallen van het bemanningstekort op het moment van controle. De minister matigde de boete al vanwege de gewijzigde regelgeving. De Afdeling oordeelde dat de boete passend is gelet op de ernst van de overtreding en het veiligheidsbelang. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €3.500 wegens bemanningstekort bevestigd.