ECLI:NL:RVS:2021:2646
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de vermogenswaardering van schadevergoeding voor huurtoeslag
Appellant ontving schadevergoedingen uit vaststellingsovereenkomsten wegens een fietsongeluk met blijvende invaliditeit. De Belastingdienst stelde het bijzondere vermogen vast op 40% van het totaalbedrag, gebaseerd op een verdeling tussen materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank had deze verdeling bevestigd en de Belastingdienst opgedragen dit toe te passen bij de huurtoeslagberekening.
Appellant voerde aan dat het gehele bedrag als immateriële schadevergoeding moest worden aangemerkt, maar de Afdeling overwoog dat een sommenverzekering zowel materiële als immateriële schade kan vergoeden. De Afdeling onderschreef de rechtbank dat 60% materieel en 40% immaterieel is, mede gelet op de maatstaven uit de jaren tachtig.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde dat appellant geen aanspraak heeft op huurtoeslag over 2015 en 2016 vanwege het voordeel uit sparen en beleggen na aftrek van het bijzondere vermogen. De uitspraak van de rechtbank blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling dat appellant geen recht heeft op huurtoeslag over 2015 en 2016 blijft in stand.