ECLI:NL:RVS:2021:2529

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2021
Publicatiedatum
12 november 2021
Zaaknummer
202106406/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 29 juni 2018 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af en weigerde uitstel van vertrek. De vreemdeling maakte bezwaar dat op 3 maart 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 14 september 2021 eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde daarop hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep in stand zou blijven. Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen waardoor de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 748,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter G.M.H. Hoogvliet op 12 november 2021. De uitspraak betreft een voorlopige voorziening in een bestuursrechtelijke vreemdelingenzaak waarbij de belangen van de vreemdeling en de staatssecretaris tegen elkaar zijn afgewogen.

Uitkomst: De vreemdeling wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202106406/2/V3.
Datum uitspraak: 12 november 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 14 september 2021 in zaak nr. 21/1361 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en geweigerd hem krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 ambtshalve uitstel van vertrek te verlenen.
Bij besluit van 3 maart 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 september 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep in stand zal blijven. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Hoogvliet
voorzieningenrechter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2021
872