ECLI:NL:RVS:2021:2495
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens niet verleend uitstel betaling door Belastingdienst
Appellant verzocht de Belastingdienst/Toeslagen om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden doordat hem uitstel van betaling werd geweigerd. Dit uitstel was nodig om te voorkomen dat toeslagen werden verrekend met openstaande schulden, wat leidde tot het beëindigen van een schulddienstverleningstraject.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van 19 februari 2016, waarbij het uitstel werd geweigerd, formele rechtskracht heeft en niet onrechtmatig is. Tevens werd vastgesteld dat de intrekking van de schulddienstverlening op meerdere gronden berust, waaronder het niet voldoen aan de inlichtingenplicht, en dat er geen oorzakelijk verband is tussen het geweigerde uitstel en de schade.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn naam onterecht op een fraudelijst stond, waardoor het uitstel werd geweigerd. De Raad van State overwoog dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade direct voortvloeit uit het besluit van 19 februari 2016. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Belastingdienst/Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd.