ECLI:NL:RVS:2021:243

Raad van State

Datum uitspraak
9 februari 2021
Publicatiedatum
9 februari 2021
Zaaknummer
202100234/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 13 november 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De rechtbank vernietigde dit besluit op 6 januari 2021 en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de rechtbankuitspraak op te schorten.

De vreemdeling stelde incidenteel hoger beroep in en verzocht eveneens om een voorlopige voorziening, met name om niet uitgezet te worden en om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de rechtbankuitspraak in stand blijft en besloot daarom de voorlopige voorziening van de staatssecretaris toe te wijzen.

Omdat de uitspraak van de rechtbank daardoor niet hoeft te worden uitgevoerd, heeft de vreemdeling geen belang bij zijn verzoek. Het verzoek van de vreemdeling werd afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter H.G. Sevenster, in aanwezigheid van griffier J.A. Verweij.

Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat op het hoger beroep is beslist; het verzoek van de vreemdeling wordt afgewezen.

Uitspraak

202100234/2/V3.
Datum uitspraak: 9 februari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende de hoger beroepen van:
1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2.    [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 januari 2021 in zaak nr. NL20.19764 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 januari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Ook de vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Het verzoek van de staatssecretaris
1.    De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. Daarom en gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening.
Het verzoek van de vreemdeling
3.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het (incidenteel) hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
4.    Omdat het door de staatssecretaris ingediende verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, hoeft geen uitvoering te worden gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Bovendien heeft de vreemdeling, wegens de vernietiging van het besluit door de rechtbank, in afwachting van de beslissing op zijn asielaanvraag recht op opvang. De vreemdeling heeft dan ook geen belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening.
5.    Het verzoek van de vreemdeling wordt afgewezen.
6.    De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geen uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank hoeft te geven voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist;
II.    wijst het verzoek van de vreemdeling af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Verweij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2021
722.