ECLI:NL:RVS:2021:241
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep asielprocedure
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 5 juni 2020 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 7 januari 2021 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, met behoud van de rechtsgevolgen van het besluit. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die beoogde te voorkomen dat hij wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, en om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde op basis van de aangevoerde argumenten en eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) dat het verzoek gegrond was en besloot de voorlopige voorziening toe te wijzen.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, specifiek een bedrag van €534,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan op 9 februari 2021 door voorzieningenrechter H.J.M. Baldinger, waarbij de griffier M.E.E. Wolff aanwezig was.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.