ECLI:NL:RVS:2021:2317
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling en toekenning opvang
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 september 2020 het verzoek van de vreemdeling om uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar dat op 19 oktober 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond op 30 augustus 2021. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 oktober 2021 besloten dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toerekenbaar zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak betreft een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van de vreemdeling worden beschermd tijdens de procedure van hoger beroep tegen de afwijzing van uitstel van vertrek.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.