ECLI:NL:RVS:2021:2299
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 4 november 2020 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling met terugwerkende kracht tot 15 mei 2013 ingetrokken, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod opgelegd. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard door zowel de staatssecretaris als de rechtbank.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep was beslist. Hij stelde dat hij door de intrekking van zijn verblijfsvergunning belangrijke basisrechten zou verliezen, zoals toegang tot werk, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg.
De voorzieningenrechter overwoog dat in een gelijktijdige uitspraak de intrekking van het Nederlanderschap van de vreemdeling werd geschorst, waardoor hij nog Nederlander is en niet kan worden uitgezet. Onder deze omstandigheden ontbrak het spoedeisend belang voor het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en legde de staatssecretaris geen proceskosten op. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 16 september 2021.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.