ECLI:NL:RVS:2021:2266
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onderhoudskorting subsidie en toekenning proceskostenvergoeding
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende appellant een subsidie voor niet-ingrijpende voorzieningen aan zijn pand, met de voorwaarde dat het pand gedurende twaalf jaar goed onderhouden zou worden. Na controles stelde het college vast dat het pand onvoldoende was onderhouden en paste een onderhoudskorting toe op de subsidie. Appellant maakte bezwaar tegen deze korting, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de korting redelijk was en dat het college terecht geen proceskostenvergoeding toekende.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Hij betoogde onder meer dat de korting niet in verhouding stond tot het onderhoud en dat het college onrechtmatig handelde door de proceskostenvergoeding te weigeren. De Raad van State overwoog dat het college terecht een korting toepaste vanwege onvoldoende onderhoud op de peildatum, maar dat het college onjuist had gehandeld door geen proceskostenvergoeding toe te kennen aan appellant, aangezien het college een te hoge korting had toegepast die aan haar was toe te rekenen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het college geen proceskostenvergoeding hoefde te betalen, en bepaalde dat het college aan appellant een proceskostenvergoeding moet toekennen en het griffierecht moet vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard voor de proceskostenvergoeding; het college moet deze aan appellant vergoeden.