ECLI:NL:RVS:2021:218
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tegemoetkoming planschade na vrijstelling en omgevingsvergunning in Hoensbroek
Appellant, eigenaar van een woning te Hoensbroek, verzocht om tegemoetkoming in planschade wegens waardevermindering door een vrijstelling uit 2004 die de bouw van twaalf woningen mogelijk maakte. Het college wees dit af, waarna de rechtbank het besluit vernietigde en het college opdroeg opnieuw te beslissen. In hoger beroep betoogde appellant dat de vrijstelling voor alle twaalf woningen het schadeveroorzakend besluit is en dat de peildatum ten onrechte werd vastgesteld op de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor één woning in 2015.
De Afdeling oordeelt dat de vrijstelling uit 2004 sinds de inwerkingtreding van de Wabo in 2010 gelijkgesteld wordt met een omgevingsvergunning eerste fase, maar dat pas met de tweede fase een volledige omgevingsvergunning ontstaat. Hierdoor is de omgevingsvergunning voor de bouw van één woning in 2014/2015 het schadeveroorzakend besluit. Appellant's betoog over rechtsongelijkheid en een hiaat in de rechtsbescherming faalt.
De Afdeling erkent de vrees voor salamitactiek waarbij gefaseerd vergunningen worden verleend om planschadeclaims te vermijden, maar verwijst naar jurisprudentie die onder omstandigheden cumulatieve beoordeling van schade mogelijk maakt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college tot afwijzing van de tegemoetkoming in planschade wordt bevestigd.