ECLI:NL:RVS:2021:2161
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten afwijzing verlenging en verlening verblijfsvergunningen vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 juli 2020 de aanvragen van twee vreemdelingen af voor verlenging respectievelijk verlening van verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd. Na ongegrondverklaring van de bezwaren door de staatssecretaris stelde de rechtbank Den Haag deze beroepen gegrond en vernietigde de besluiten. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De rechtbank had een motiveringsgebrek vastgesteld dat eenvoudig te herstellen is. De Raad beoordeelde tevens het beroep tegen de besluiten van 10 mei 2021 waarin de staatssecretaris opnieuw de bezwaren ongegrond verklaarde.
De Raad stelde vast dat de staatssecretaris ten onrechte meende dat uit de overgelegde bankverklaring niet bleek dat continuïteit en solvabiliteit van de referent voldoende waren gewaarborgd. Volgens het beleid is een bankverklaring een schriftelijke verklaring van een bank met een overzicht van bankzaken van een onderneming, wat hier was voldaan. De beroepen werden gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en de staatssecretaris opgedragen nieuwe besluiten te nemen waarbij de aanvragen worden ingewilligd. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De besluiten tot afwijzing van de aanvragen verblijfsvergunningen worden vernietigd en de staatssecretaris wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen waarbij de aanvragen worden ingewilligd.