ECLI:NL:RVS:2021:194
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 januari 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 23 december 2020 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om een voorlopige voorziening gegrond is, zodat de vreemdeling niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand door een derde, tot een bedrag van €534,00 moet vergoeden.
De uitspraak werd gedaan op 1 februari 2021 door voorzieningenrechter C.J. Borman. De voorzieningenrechter was verhinderd de uitspraak te ondertekenen, hetgeen werd gedaan door griffier M.E.E. Wolff.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.