ECLI:NL:RVS:2021:1881
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang vreemdelingen in hoger beroep asielzaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 juni 2021 de aanvraag van de vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdelingen, inclusief hun minderjarige kinderen, gingen in beroep bij de rechtbank Den Haag, die op 5 augustus 2021 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen stelden zij hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het verzoek om een voorlopige voorziening gegrond was en bepaalde dat de vreemdelingen niet mogen worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 748,00, die geheel toerekenbaar zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos, waarbij griffier J.W. Prins aanwezig was. De voorzieningenrechter was verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 25 augustus 2021.
Uitkomst: De vreemdelingen mogen niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.