ECLI:NL:RVS:2021:1831
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 oktober 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep bij uitspraak van 23 juni 2021 ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is bepaald dat de vreemdeling opvang en verstrekkingen ontvangt gedurende deze periode. De staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, een bedrag van € 748,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan op 19 augustus 2021 door voorzieningenrechter A.J.C. de Moor-van Vugt in aanwezigheid van griffier N. Tibold. De beslissing is genomen op basis van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en eerdere jurisprudentie van de Raad van State.
Uitkomst: De vreemdeling wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.