Uitspraak
Datum uitspraak: 4 augustus 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 28 september 2018 een omgevingsvergunning aan Grabo Onroerend Goed B.V. voor het veranderen en vergroten van de kelder en begane grond van gebouwen aan de Moreelsestraat 5 en een andere locatie in Amsterdam. De vergunning betrof een uitbouw met ondergelegen kelder, deels in strijd met het bestemmingsplan en de beleidsregels uit de nota 'Omgevingsvergunning A2'.
Appellante, wonend nabij de locatie, maakte bezwaar tegen de vergunning vanwege vrees voor aantasting van haar woon- en leefklimaat, met name wateroverlast door de onderkeldering. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak constateerde dat het college bij het besluit op bezwaar niet duidelijk had gemotiveerd of en hoe het was afgeweken van beleidsregels 4a en 5a van de nota. Hoewel dit motiveringsgebrek kan worden gepasseerd, oordeelde de Afdeling dat het college het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid had voorbereid, omdat het geen concreet en handhaafbaar voorschrift had verbonden aan de vergunning ter voorkoming van barrièrewerking voor het grondwater, ondanks het advies van Waternet.
De Afdeling draagt het college op binnen 12 weken dit gebrek te herstellen door een duidelijk en concreet voorschrift te verbinden aan de vergunning, waarmee rechtszekerheid en handhaafbaarheid worden gediend. In de einduitspraak zal worden beslist over proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen binnen 12 weken het motiveringsgebrek te herstellen door een concreet voorschrift tegen barrièrewerking te verbinden aan de vergunning.