Uitspraak
Datum uitspraak: 4 augustus 2021
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
griffier
Raad van State
Appellant vroeg op 16 juli 2018 een jachtakte aan om wild te mogen schieten voor zijn bedrijf dat vlees levert aan restaurants. Na een gebruikelijke screening bleek dat appellant op 10 juli 2015 onherroepelijk was veroordeeld voor een overtreding van de Wet wapens en munitie. Op grond van artikel 3.28, derde lid, aanhef en onder e, van de Wet natuurbescherming (Wnb) is dit een dwingende weigeringsgrond voor het verlenen van een jachtakte.
De korpschef wees de aanvraag af en de minister verklaarde het beroep ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel. Appellant voerde aan dat de weigeringsgrond onredelijk was, omdat hij in verzet was gegaan tegen de strafbeschikking en dat er geen overgangsrecht of hardheidsclausule bestond. Tevens stelde hij dat de weigering een dubbele straf opleverde in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de wetgever bewust een strikte weigeringsgrond heeft geformuleerd om de veiligheid te waarborgen en dat de korpschef geen beoordelingsruimte heeft om hiervan af te wijken. De weigering is een preventieve maatregel en geen punitieve sanctie, zodat geen sprake is van dubbele bestraffing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van de jachtakte vanwege een onherroepelijke veroordeling voor een overtreding van de Wet wapens en munitie.