ECLI:NL:RVS:2021:1711
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- A.W.M. Bijloos
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak inzake wijziging verblijfsvergunning kennismigrant en intrekking gezinslidverblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluiten van januari en juli 2019 respectievelijk de aanvraag tot wijziging van de beperking van een verblijfsvergunning voor vreemdeling 1 afgewezen en de verblijfsvergunning van vreemdeling 2 ingetrokken. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van beide vreemdelingen gegrond en oordeelde dat vreemdeling 1 recht had op de Europese blauwe kaart vanwege het verrichten van reële en daadwerkelijke arbeid.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat vreemdeling 1 onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij reële en daadwerkelijke arbeid verricht bij haar werkgever, een dochterbedrijf van een Chinees moederbedrijf, mede gelet op de negatieve financiële adviezen en het ontbreken van substantiële bedrijfsactiviteiten. De rechtbank had volgens de staatssecretaris ten onrechte haar oordeel in de plaats van het bestuursorgaan gesteld en de hoorplicht geschonden.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht had betwijfeld dat vreemdeling 1 reële en daadwerkelijke arbeid verrichtte, mede vanwege de onduidelijke bedrijfsvoering en onvoldoende onderbouwing van werkzaamheden. De rechtbank had ten onrechte het rapport van een belastingadviesbureau doorslaggevend gemaakt en de hoorplicht niet geschonden. Voor vreemdeling 2, wiens verblijfsvergunning afhankelijk was van die van vreemdeling 1, volgde dat ook zijn beroep ongegrond was.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraken van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraken van de rechtbank vernietigd en de beroepen ongegrond verklaard.