ECLI:NL:RVS:2021:1669
Raad van State
- Hoger beroep
- A. ten Veen
- W.D.M. van Diepenbeek
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging invordering dwangsommen wegens onjuiste feitenvaststelling en geen legalisering aanbouw
Appellant is eigenaar van een woning in Overasselt en kreeg in 2008 een bouwvergunning voor een aanbouw. Het college legde in 2016 een last onder dwangsom op wegens een afwijkende aanbouw. Na overschrijding van de termijn vorderde het college dwangsommen in 2018. Appellant betwistte de invordering en stelde dat een brief van 30 mei 2017 een legaliserend besluit was.
De rechtbank oordeelde dat de brief geen besluit was en dat dwangsommen terecht waren ingevorderd. Appellant ging in hoger beroep. De Afdeling oordeelde dat de brief geen besluit is en dat de rechtbank onzorgvuldig was in de feitenvaststelling. De controlerapporten bevatten onvoldoende bewijs dat de overtreding bestond, mede omdat de feitelijke situatie niet was vergeleken met de bouwtekening waarop de last was gebaseerd.
De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak dat het invorderingsbedrag vaststelde en herroept het besluit van 1 augustus 2018. Hierdoor zijn er geen invorderingsbesluiten meer. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De invordering van dwangsommen wordt vernietigd en het besluit van 1 augustus 2018 herroepen wegens onvoldoende feitenvaststelling en geen legalisering van de aanbouw.