ECLI:NL:RVS:2021:1622

Raad van State

Datum uitspraak
21 juli 2021
Publicatiedatum
22 juli 2021
Zaaknummer
202104672/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen voorgenomen uitzetting vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 15 juni 2021 besloten om de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Hiertegen heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 19 juli 2021 ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter overwoog dat het hoger beroep op 20 juli 2021 was ingesteld en dat de termijn voor het instellen van hoger beroep nog niet was verstreken. Daarom werd bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening getroffen om de voorgenomen uitzetting op 22 juli 2021 om 10:05 uur te schorsen. De staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die volledig toerekenbaar waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze voorlopige voorziening zorgt ervoor dat de vreemdeling niet wordt uitgezet zolang het hoger beroep loopt en de rechter nog niet inhoudelijk heeft beslist over het verzoek tot voorlopige voorziening. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter E. Steendijk, met griffier D.I. van Kesteren, op 21 juli 2021.

Uitkomst: De voorgenomen uitzetting van de vreemdeling op 22 juli 2021 wordt geschorst en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202104672/2/V2.
Datum uitspraak: 21 juli 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 19 juli 2021 in zaak nr. NL21.9308 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 19 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft op 20 juli 2021 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 juli 2021 en de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn voorgenomen overdracht op 22 juli 2021 om 10:05 uur achterwege blijft. Alleen al omdat de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken, treft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening. Nadat de termijn is verstreken, zal de voorzieningenrechter uitspraak doen op het resterende deel van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de voorgenomen uitzetting op 22 juli 2021 achterwege blijft;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2021
915