ECLI:NL:RVS:2021:1576
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding bij bewaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 10 juni 2021 in bewaring. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze bewaring bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, die op 25 juni 2021 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de eerste grief van de vreemdeling niet tot vernietiging van het vonnis leidt omdat deze geen vragen van algemeen belang bevat. De tweede grief betrof de toekenning van een proceskostenvergoeding in verband met een gebrek in de voorafgaande ophouding.
De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2018:1498) waarin dit rechtsvraag is beantwoord en verklaart het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze de staatssecretaris niet veroordeelde tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van € 2.244,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.244,00 aan de vreemdeling.