ECLI:NL:RVS:2021:1489
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen aanwijzing op grond van Sanctieregeling Terrorisme 2007-II
De minister van Buitenlandse Zaken heeft een persoon aangewezen als betrokkene op wie de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II van toepassing is, vanwege het werven van fondsen voor de terroristische organisatie DHKP/C. Deze aanwijzing leidt tot bevriezing van alle financiële middelen van de betrokkene. De betrokkene maakte bezwaar tegen deze aanwijzing, dat door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van de minister.
De minister stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee de bevriezing van de financiële middelen zou worden gehandhaafd totdat op het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet evident is dat de betrokkene fondsen werft voor DHKP/C en dat het niet aannemelijk is dat het vrijgekomen banksaldo van circa €2800 zal worden gebruikt voor terrorisme.
Gezien de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene en het belang van terrorismebestrijding, weegt het belang van de betrokkene zwaarder. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.