ECLI:NL:RVS:2021:1448
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling
De vreemdeling had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek te verkrijgen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze aanvraag werd op 24 april 2019 afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 2 juli 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, welke op 7 mei 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank zou worden vernietigd. Gezien de belangen van zowel de staatssecretaris als de vreemdeling werd geen voorlopige voorziening getroffen.
Het verzoek om uitstel van vertrek en opvang werd daarom afgewezen en de staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos op 6 juli 2021.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het uitzettingsbesluit is afgewezen.