ECLI:NL:RVS:2021:1416
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- F.D. van Heijningen
- P.H.A. Knol
- Rechtspraak.nl
Ambtshalve vervallenverklaring tussenuitspraak en einduitspraak in hoger beroep bestuursrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij tussenuitspraak van 19 augustus 2020 de minister opgedragen een gebrek in het besluit van 30 november 2018 te herstellen. De minister heeft dit gedaan door middel van een nadere motivering bij brief van 30 oktober 2020. De Afdeling heeft vervolgens op 3 februari 2021 overwogen dat verzoekster de gelegenheid had gekregen om een zienswijze op deze nadere motivering te geven, maar hiervan geen gebruik heeft gemaakt.
Later heeft verzoekster gemeld dat de processtukken niet naar haar nieuwe adres waren verzonden, waardoor zij niet tijdig op de hoogte was en geen zienswijze kon indienen. Dit leidde tot een verzoek om ambtshalve vervallenverklaring van de eerdere uitspraken. Tijdens de hoorzitting van 9 juni 2021 werd vastgesteld dat verzoekster ernstig in haar procespositie was benadeeld doordat zij niet correct was geïnformeerd.
De Afdeling heeft daarom de tussenuitspraak en de einduitspraak ambtshalve vervallen verklaard en zal bij een afzonderlijke uitspraak opnieuw beslissen op het hoger beroep. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De tussenuitspraak van 19 augustus 2020 en de einduitspraak van 3 februari 2021 worden ambtshalve vervallen verklaard en de zaak wordt opnieuw behandeld.