ECLI:NL:RVS:2021:137
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens nalaten proceskostenvergoeding in vreemdelingenbewaring
De vreemdeling werd op 22 november 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang, omdat de bewaring inmiddels was opgeheven en de staatssecretaris een volledige schade- en proceskostenvergoeding had aangeboden.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze beslissing, stellende dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende voor het verschijnen ter zitting. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat hoewel het beroep niet-ontvankelijk was verklaard, de rechtbank de staatssecretaris had moeten veroordelen in de kosten van het verschijnen ter zitting, aangezien dit noodzakelijk werd geacht en de gemachtigde van de vreemdeling daadwerkelijk was verschenen.
De Afdeling vernietigde daarom het bestreden vonnis voor zover het naliet de proceskostenvergoeding toe te kennen en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van €1.068,00 aan proceskosten voor de beroepsmatige rechtsbijstand. Hiermee werd de vreemdeling alsnog schadeloos gesteld voor de gemaakte kosten in het bestuursrechtelijke traject.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor het verschijnen ter zitting van €1.068,00.