ECLI:NL:RVS:2021:1350
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging deels uitspraak rechtbank inzake proceskosten bij bewaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 20 maart 2021 in bewaring. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze bewaring bij de rechtbank Den Haag, die op 6 april 2021 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State en klaagde onder meer dat de rechtbank ten onrechte geen gebrek had geconstateerd in de ophouding en daarom de staatssecretaris niet tot vergoeding van de proceskosten had veroordeeld. De Raad van State stelde vast dat er inderdaad een gebrek zat in de ophouding, namelijk het niet maken van een keuze tussen het tweede of derde lid van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 in het proces-verbaal.
Hoewel dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring, was het wel reden om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De Raad van State vernietigde daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de proceskosten niet werden toegewezen, bevestigde het overige en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van €1602 aan proceskosten.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, het overige wordt bevestigd.