ECLI:NL:RVS:2021:1209
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning aanleg verhard pad en uitrit in landelijk gebied
Het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe verleende op 19 juni 2018 een omgevingsvergunning aan een vergunninghouder voor het aanleggen van een verhard pad en een uitrit op een perceel met de bestemming 'Landelijk gebied'. De vergunning werd aangevochten door een appellant die stelde dat de uitrit zonder vergunning was aangelegd en breder was dan toegestaan, en dat de vergunning niet was getoetst aan het daadwerkelijke gebruik van het perceel.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van de appellant ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de beoordeling zich beperkte tot de rechtmatigheid van de verleende vergunning en dat afwijkingen in gebruik en uitvoering een handhavingskwestie zijn, geen grond voor vernietiging van de vergunning.
Verder werd het betoog dat de vergunning in strijd zou zijn met het gemeentelijk inrittenbeleid ingetrokken. De Afdeling vond geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en bevestigde het besluit. Proceskosten werden niet toegewezen.
Het toetsingskader bestond uit bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Omgevingsverordening Gelderland en het bestemmingsplan 'Buitengebied'. De vergunning is verleend na advies van Gedeputeerde Staten en voldoet aan de relevante wettelijke eisen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning blijft in stand.