Uitspraak
Datum uitspraak: 1 april 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
De zaak betreft de weigering van de RDW om een camper in te schrijven in het Nederlandse kentekenregister vanwege een afwijking in de breedte van het voertuig ten opzichte van het Duitse kentekenbewijs. De camper was breder dan op het kentekenbewijs vermeld, wat aanleiding gaf tot een meting door de RDW. De rechtbank oordeelde dat de RDW het Duitse kentekenbewijs had moeten erkennen, omdat een technische controle alleen is toegestaan bij aanwijzingen voor gevaar voor de verkeersveiligheid.
De Raad van State stelt echter dat de RDW gerechtvaardigd was het voertuig te controleren om te verifiëren of het overeenkwam met het kentekenbewijs. De visuele constatering van een grotere breedte dan vermeld op het kentekenbewijs rechtvaardigde een meting. De gemeten breedte overschreed de nationale toelatingseis van 2550 mm, waardoor de RDW de inschrijving terecht weigerde.
De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank Limburg en verklaart het beroep van de RDW gegrond, waardoor de weigering tot inschrijving in stand blijft. De uitspraak benadrukt dat een buitenlands kentekenbewijs erkend moet worden, tenzij evident onjuiste gegevens worden aangetroffen die een gevaar voor de verkeersveiligheid kunnen opleveren.
Uitkomst: De weigering van de RDW tot inschrijving van de te brede camper in het Nederlandse kentekenregister wordt bevestigd.