ECLI:NL:RVS:2020:957
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep inzake schadevergoeding na mediationovereenkomst WWB-uitkering
Appellant en het college van burgemeester en wethouders van Delft zijn een mediationtraject gestart over een geschil betreffende het recht op een WWB-uitkering, de nabetaling daarvan en aansprakelijkheid voor kosten door late betaling. Dit resulteerde in een vaststellingsovereenkomst uit 2010.
Appellant verzocht in 2018 om schadevergoeding van €1.103,74 wegens materiële en immateriële schade door een beslag van KPN op zijn uitkering. Het college wees dit verzoek af wegens gebrek aan causaal verband en stelde dat bezwaar en beroep niet ontvankelijk waren op grond van artikel 8:4 Awb Pro.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd omdat het verzoek betrekking had op schade vóór 1 juli 2013, waarop titel 8.4 Awb niet van toepassing is. Appellant stelde dat het verzoek een uitvoering van de vaststellingsovereenkomst betrof, geen schadeveroorzakend besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is en zendt de zaak door naar de Centrale Raad van Beroep, omdat niet duidelijk is of appellant een schadeoorzaak aanwijst waarover de Centrale Raad bevoegd is. Het betaalde griffierecht wordt aan appellant terugbetaald.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd en zendt het hoger beroep door aan de Centrale Raad van Beroep.