ECLI:NL:RVS:2020:772
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging tijdelijk huisverbod wegens ernstig en onmiddellijk gevaar voor veiligheid in woning
Op 8 maart 2020 legde de burgemeester van Rotterdam aan appellant een tijdelijk huisverbod op voor tien dagen, naar aanleiding van een melding dat appellant zijn moeder had mishandeld. De burgemeester baseerde dit besluit op ingevulde formulieren van het Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld en verklaringen van de moeder en een zelfstandig wonende broer.
Appellant voerde aan dat het vermoeden van gevaar onvoldoende was gemotiveerd, dat de melding onterecht was en dat de belastende verklaring van zijn moeder onvoldoende bewijs vormde. Tevens stelde hij dat het contactverbod ten opzichte van zijn broer onterecht was en dat zijn mentale problemen onvoldoende in aanmerking waren genomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester deugdelijk had gemotiveerd dat sprake was van een ernstig vermoeden van gevaar, mede gelet op eerdere huisverboden en het strafrechtelijk verleden van appellant. Ook was het contactverbod jegens de broer terecht vanwege diens lijden onder het gedrag van appellant. De belangenafweging was juist, waarbij het belang van een veilige woonsituatie zwaarder woog dan de mentale problemen van appellant.
Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening werden ongegrond verklaard en afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep en verzoek om voorlopige voorziening tegen het tijdelijk huisverbod worden afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.