ECLI:NL:RVS:2020:74
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning voor ophogen akker en aanleg natuurvriendelijke oevers ondanks bezwaar gedeputeerde staten
Het college van gedeputeerde staten van Gelderland verleende een omgevingsvergunning aan een maatschap voor het ophogen van een perceel en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Na bezwaar van gedeputeerde staten handhaafde het college het besluit, maar de rechtbank vernietigde dit vanwege onvoldoende motivering over de noodzaak van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming en het ontbreken van mitigerende voorschriften.
Gedeputeerde staten voerden in hoger beroep aan dat de vergunning onterecht was verleend zonder een noodzakelijke toetsing op grond van de Wet natuurbescherming, omdat de werkzaamheden het weidevogelgebied negatief zouden beïnvloeden. De Raad van State oordeelde dat de quickscan en aanvullende onderzoeken voldoende onderbouwden dat de ophoging geen wezenlijke negatieve invloed heeft op de weidevogels die op het perceel voorkomen, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden.
De mitigerende maatregelen zijn als voorschrift aan de vergunning verbonden, waardoor het storingsverbod uit de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Het incidenteel hoger beroep van de maatschap verviel doordat het hoger beroep van gedeputeerde staten ongegrond werd verklaard. De Raad van State bevestigde het bestreden vonnis en wees het hoger beroep van gedeputeerde staten af.
Uitkomst: Het hoger beroep van gedeputeerde staten wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.