ECLI:NL:RVS:2020:732
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling Belastingdienst tot vergoeding proceskosten en griffierecht na onterechte invordering rente
Appellante kreeg van de Belastingdienst/Toeslagen een herziening van haar zorgtoeslag over 2013, waardoor zij €1.217,00 moest terugbetalen. Daarnaast bracht de dienst invorderingsrente en aanmaningskosten in rekening. De invorderingsrente bleek onterecht, wat de dienst erkende tijdens de procedure. De rechtbank wees het beroep van appellante af en weigerde haar proceskostenvergoeding toe te kennen, omdat zij haar eigen belangen zou hebben behartigd.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij recht had op vergoeding van proceskosten en het griffierecht, omdat zij zich liet vertegenwoordigen door een professionele gemachtigde. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de Belastingdienst niet veroordeelde tot vergoeding van de proceskosten voor het verschijnen ter zitting en het griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze de proceskostenvergoeding en griffierechteruggave betrof.
De Afdeling wees het beroep van appellante af voor zover het ging om een integraal proceskostenvergoeding voor eigen belangenbehartiging en oordeelde dat het niet toekennen van vergoeding niet in strijd was met het EVRM of discriminatieverboden. De Belastingdienst werd veroordeeld tot vergoeding van €1.050,00 aan proceskosten en €222,00 aan griffierecht.
Uitkomst: De Belastingdienst wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.050 en het griffierecht van €222 aan appellante.