ECLI:NL:RVS:2020:629
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake uitzettingsbesluit vreemdeling
Bij besluit van 5 oktober 2017 wees de staatssecretaris een aanvraag van een vreemdeling af om te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 14 maart 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 10 januari 2020 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter overwoog dat de uitspraak van de rechtbank niet strekt tot het bepalen dat de overdracht achterwege blijft en dat uitvoering van de uitspraak geen onherstelbare gevolgen heeft. Ook vergt uitvoering geen onevenredige inspanning. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €525,00.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.