ECLI:NL:RVS:2020:574
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
De staatssecretaris heeft op 7 december 2018 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en een inreisverbod opgelegd. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 22 mei 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde hij beroep in bij de rechtbank, welke op 13 november 2019 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Echter richtte het hoger beroep zich niet tegen de inhoudelijke uitspraak van de rechtbank, aangezien de vreemdeling niet heeft toegelicht waarom de uitspraak onjuist zou zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde daarom dat zij geen inhoudelijk oordeel kon geven en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het vonnis werd uitgesproken door lid N. Verheij op 26 februari 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd betoog.