ECLI:NL:RVS:2020:571
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep en voorlopige voorziening tegen beëindiging verblijfsrecht en inreisverbod
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 7 januari 2019 het verblijfsrecht van de vreemdeling beëindigd en een inreisverbod uitgevaardigd. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 17 april 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, welke op 15 januari 2020 het beroep ongegrond verklaarde.
Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling beoordeelde het hoger beroep, maar stelde vast dat de vreemdeling niet heeft toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep en verklaarde dit niet-ontvankelijk.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom eveneens afgewezen. De staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het verblijfsrecht van de vreemdeling definitief is beëindigd en het inreisverbod gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.