ECLI:NL:RVS:2020:565
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens schending hoorplicht
De vreemdeling, met de Somalische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris op 31 maart 2017 werd afgewezen. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep ongegrond verklaard. De vreemdeling stelde dat zij niet kon verschijnen voor nader onderzoek wegens ziekenhuisopname, maar kreeg slechts drie dagen om dit te onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat het afzien van het horen in bezwaar niet leidde tot belangenbeschadiging, maar de Raad van State stelde vast dat deze termijn te kort was en dat de vreemdeling daardoor niet adequaat haar afwezigheid kon toelichten. Hierdoor is de hoorplicht geschonden.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en beval vergoeding van proceskosten. De staatssecretaris moet het griffierecht vergoeden dat de vreemdeling betaalde voor de behandeling van het beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris worden vernietigd vanwege schending van de hoorplicht.