ECLI:NL:RVS:2020:554
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.J. Borman
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens herstelverzuim
De vreemdeling diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf, die door de staatssecretaris op 22 maart 2018 werd afgewezen. Hiertegen maakte zij bezwaar, dat op 14 september 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde deze beslissing op 23 mei 2019. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris verplicht was om de vreemdeling een nadere termijn te geven om haar bezwaarschrift aan te vullen, nadat zij een pro-formabezwaarschrift had ingediend. De staatssecretaris had dit niet gedaan en verklaarde het bezwaar kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het niet verplicht was om een herstelverzuimbrief te sturen, mede omdat de gemachtigde van de vreemdeling al een herstelverzuimbrief had ontvangen in een andere procedure.
De Raad van State oordeelde echter dat het bestendige praktijk is dat de staatssecretaris een herstelverzuimbrief stuurt bij ontvangst van een pro-formabezwaarschrift en dat dit ook in deze zaak had moeten gebeuren. Het feit dat in een andere zaak een herstelverzuimbrief was verzonden, ontslaat de staatssecretaris niet van zijn verplichting in deze zaak. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 14 september 2018 vernietigd, en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.