ECLI:NL:RVS:2020:553
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 26 maart 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 april 2019 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens het hoger beroep overwoog de Raad dat nieuwe stukken, zoals een screenshot van een bedreiging op Instagram die dateren van na de uitspraak van de rechtbank, niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling van het hoger beroep. Dit omdat de uitspraak van de rechtbank in de Vreemdelingenwet 2000 als object van hoger beroep is aangewezen en de rechtbank deze stukken niet heeft kunnen meenemen.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen gronden bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.