ECLI:NL:RVS:2020:475
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State inzake hoger beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel vreemdelingen
In deze zaak hebben vreemdelingen, mede voor hun minderjarige kind, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin hun beroep tegen een vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond werd verklaard. De maatregel was opgelegd bij besluiten van 9 juli 2019.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat op grond van artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 tegen een vrijheidsbeperkende maatregel geen hoger beroep mogelijk is. Dat de uitspraak van de rechtbank onterecht vermeldt dat wel hoger beroep mogelijk is, verandert hier niets aan.
Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens is bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 17 februari 2020.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel.