ECLI:NL:RVS:2020:407
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State in hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 5 november 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling stelde beroep in tegen het voortduren van deze bewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het hoger beroep betrekking had op het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring zoals bedoeld in artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Volgens artikel 84, aanhef en onder a, van die wet is tegen het voortduren van de bewaring geen hoger beroep mogelijk. Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, vertegenwoordigd door lid E. Steendijk en griffier M.T. Annen, op 10 februari 2020.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring.