ECLI:NL:RVS:2020:403

Raad van State

Datum uitspraak
10 februari 2020
Publicatiedatum
10 februari 2020
Zaaknummer
201808443/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in bestuursrechtelijke procedure

De vreemdeling heeft bij besluit van 31 maart 2005 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke is afgewezen door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Na diverse bezwaar- en beroepsprocedures, waaronder een ongegrondverklaring door de rechtbank en een ingetrokken besluit van de staatssecretaris, heeft de vreemdeling een beroep ingesteld tegen het besluit van 17 januari 2020 waarin het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard.

De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij niet wordt uitgezet zolang het beroep loopt. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet uitgesloten is dat het beroep zal slagen en dat de belangen van de vreemdeling en de staatssecretaris dit rechtvaardigen.

Daarom werd de voorlopige voorziening getroffen dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,00 die verband houden met de beroepsmatige rechtsbijstand van de vreemdeling.

Uitkomst: De vreemdeling wordt voorlopig niet uitgezet totdat op het beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

201808443/2/V1.
Datum uitspraak: 10 februari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 januari 2020.
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 8 maart 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Yildirim, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De vreemdeling heeft hierop bij wijze van nader stuk gereageerd.
De staatssecretaris heeft op 1 oktober 2019 het besluit van 8 maart 2018 ingetrokken en bij besluit van 17 januari 2020 het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2005 opnieuw ongegrond verklaard.
De vreemdeling heeft tegen dit besluit beroepsgronden ingediend en de staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Ook heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet totdat de Afdeling op zijn beroep heeft beslist.
2.    Gelet op wat de vreemdeling aanvoert, valt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet uit te sluiten dat het beroep slaagt. Daarom en gelet op de belangen van de vreemdeling en de staatssecretaris, treft hij een voorlopige voorziening.
3.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op zijn beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Drop    w.g. Schuurman
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2020
282-910.