ECLI:NL:RVS:2020:37
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
De zaak betreft een hoger beroep van een vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het beroep tegen het voortduren van zijn vreemdelingenbewaring ongegrond werd verklaard. De vreemdeling was op 7 oktober 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat het hoger beroep ziet op het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring, waarop artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is. Volgens artikel 84, aanhef en onder a, van die wet is tegen het voortduren van de bewaring geen hoger beroep mogelijk.
Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer N. Verheij, in aanwezigheid van griffier D. van Leeuwen, op 9 januari 2020.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring.