ECLI:NL:RVS:2020:328
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank in vreemdelingenzaak over uitzettingsbesluit
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 17 april 2019 een aanvraag van een vreemdeling afgewezen om te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 december 2019 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorziening houdt in dat de staatssecretaris de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en dat de belangen van de staatssecretaris en de vreemdeling zodanig waren dat een voorlopige voorziening gerechtvaardigd was. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 31 januari 2020 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.