ECLI:NL:RVS:2020:322
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 19 april 2018 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 17 december 2018 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de overwegingen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De rechtsvraag was eerder al door de Afdeling beantwoord in een vergelijkbare zaak.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd een griffierecht geheven. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van G.M.H. Hoogvliet.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.