ECLI:NL:RVS:2020:312

Raad van State

Datum uitspraak
29 januari 2020
Publicatiedatum
29 januari 2020
Zaaknummer
201903894/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • H. Troostwijk
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens onvoldoende belangenafweging kwetsbare minderjarige

De staatssecretaris verklaarde de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk omdat hij reeds een geldige verblijfsvergunning asiel in Griekenland had. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond. De vreemdeling, een alleenstaande vader met psychische problemen, stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de belangen van zijn minderjarige zoon, die eveneens ernstige psychische problemen heeft en voortdurende zorg nodig heeft.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de vreemdeling en zijn zoon bijzonder kwetsbaar zijn, zoals bedoeld in eerdere jurisprudentie. De staatssecretaris moet daarom nader motiveren waarom terugkeer naar Griekenland niet leidt tot een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie voor hen.

De grieven die niet tot vernietiging leidden, betroffen geen wezenlijke rechtsvragen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag wordt vernietigd vanwege onvoldoende belangenafweging van de kwetsbare minderjarige.

Uitspraak

201903894/1/V3.
Datum uitspraak: 29 januari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor zijn minderjarige kind,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 14 mei 2019 in zaak nr. NL19.5662 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 14 mei 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. van der Toorn, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De vreemdeling is een alleenstaande vader met psychische problemen. Zijn zoon is geboren in 2010 en ook hij heeft ernstige psychische problemen. Uit de door de vreemdeling overgelegde medische stukken en de verslagen van de gehoren die de staatssecretaris met hem heeft gehouden, blijkt dat de zoon voortdurend zorg en aandacht van zijn vader nodig heeft.
De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij in Griekenland al een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen. Deze vergunning is geldig van 25 oktober 2017 tot en met 24 oktober 2020.
2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij en zijn zoon bij terugkeer naar Griekenland in een situatie zullen terechtkomen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest. In de derde grief klaagt de vreemdeling dat dit oordeel niet juist is. Volgens hem heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris in het besluit van 6 maart 2019 onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van zijn zoon.
3.    De grief slaagt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de vreemdeling en zijn zoon bijzonder kwetsbaar zijn als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2385. De staatssecretaris moet dus nader motiveren waarom zij bij terugkeer naar Griekenland niet, door hun bijzondere kwetsbaarheid, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in die uitspraak.
4.    Wat de vreemdeling in de grieven 1 en 2 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 6 maart 2019 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 14 mei 2019 in zaak nr. NL19.5662;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 6 maart 2019, V-nummers […] en […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Van Laar
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2020
551.