ECLI:NL:RVS:2020:3114
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van rechtmatigheid vreemdelingenbewaring ondanks klacht over voortvarendheid
Bij besluit van 4 maart 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling klaagde dat de rechtbank ten onrechte niet ambtshalve had getoetst of de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzettingsprocedure. De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris op 9 maart 2020 een vertrekgesprek had gevoerd en een laissez-passertraject was gestart, en dat de eerste uitzettingshandelingen binnen zes dagen na inbewaringstelling plaatsvonden. Dit betekent dat voldoende voortvarendheid was betracht.
De Afdeling zag daarom geen reden om de zaak aan te houden in afwachting van een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie over de ambtshalve toetsing. De klacht faalde en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
De Afdeling benadrukte dat in hoger beroep het grievenstelsel leidend is en dat algemene klachten over het ontbreken van ambtshalve toetsing zonder concrete punten onvoldoende zijn. Dit arrest heeft betekenis voor de rechterlijke toetsing in bewaringszaken in Nederland.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.